Afrika's voedsel-alternatief: de wilde fauna

Een Nederlands ontwikkelingsproject in Mali

De rivier de Baoulé na de regentijd

de Baoulé rivier na de regentijd. Aan de horizon zijn goed de verschillende erosieterrassen te zien

Het nationale park Boucle du Baoulé

Het complex van wildreservaten, beschermde bosgebieden en het Nationale Park in de bocht van de Baoulé rivier is vrijwel het enige gebied in Mali waar het wild enige bescherming wordt gegeven tegen de concurrentie van vee, landbouw, stropen en illegale jacht. Dit artikel wil een beschrijving geven van de vegetatie, de fauna en het landschap van dit voor velen totaal onbekende gedeelte van Afrika. Ook wordt er aandacht besteed aan de specifieke problemen van dit natuurreservaat op het gebied van beheer en exploitatie. Met inspanning van alle krachten tracht de Malinese bosdienst het gebied te behouden als toevluchtsoord voor de snel verdwijnende diersoorten van de savanne en de sahelzone.

Een Nederlands-Malinees ontwikkelingsproject in dit verband is in voorbereiding.

De republiek Mali is één van de West-Afrikaanse Sahellanden. Veel is er in Nederland niet over bekend. De belangrijkste aanknopingspunten zijn de plaats Tombouctou met zijn van oudsher mysterieuze klank, de Tellem-expeditie van een jaar of tien geleden die onder leiding van de archeoloog Huizinga de grotsteden van het Tellem-volk onderzocht en de af en toe over het nieuws komende berichten van grensstrubbelingen met Burkina Faso naar aanleiding van de aldaar voorkomende mangaanertsen. Toch is Mali één van de tien grootste landen van Afrika, met een oppervlak van 1 240 000 vierkante kilometer, of 37 maal groter dan Nederland. Het is echter een politiek en economisch weinig interessant gebied. Het heeft geen kostbare natuurlijke delfstoffen, geen directe zeeverbinding en is toeristisch nog nauwelijks ontdekt. De uitvoerproducten van Mali, dat geassocieerd is met de EEG, zijn voornamelijk landbouwproducten als rijst, aardnoten, katoen, vis en rundvlees. De omringende landen Senegal, Ghana en Ivoorkust zijn naast Frankrijk, China en Rusland de belangrijkste afnemers[1].

Al deze punten hebben er toe bijgedragen dat na de onafhankelijkheid in 1958 en afsplitsing van Senegal in 1960 het land eigenlijk in de vergetelheid raakte. Het kwam pas weer als één van de Sahellanden in het nieuws na de grote droogte aan het begin van de jaren zeventig. Alhoewel de publiciteit zich' allang heeft afgewend van dit gebied ten zuiden van de Sahara en gericht op andere probleemgebieden, is Mali nog steeds bezig zich te herstellen van de gevolgen van deze catastrofale droogtejaren. Het is zich bovendien er maar al te goed van bewust dat er ook maatregelen getroffen moeten worden om een dergelijke ramp in de toekomst te voorkomen. De politieke geschiedenis van het land heeft niet bijgedragen tot de eenwording van de in vele stammen verdeelde bevolking. De woestijnvolken van het noorden waren altijd door hun grotere bewegelijkheid als nomaden en hun hogere beschaving door de mohammedaanse invloeden heer en meester in de zuidelijke randgebieden van de Sahara. De negroïde landbouwende bevolking, die woonde langs de grote rivieren en in de savannes met voldoende regenval, was vaak horig aan de Touareg, Peulh en Maures. Ze bewerkten het land voor deze nomaden en moesten het grootste gedeelte van hun oogst laan hen afstaan. Tombouctou, aan de Niger en de rand van de Sahara gelegen, was vroeger één van de belangrijkste handelscentra van Afrika. Van daaruit vertrokken de karavanen met negerslaven, ivoor en andere rijkdommen naar de noordkust van Afrika om terug te keren met zout en goud. Na de Franse inval en kolonisatie van West-Afrika vanaf 1883 verdween geleidelijk aan de openlijke slavernij. Door hun trotse houding bleven de nomaden stug vasthouden aan hun oude levenswijze en weigerden de voordelen van de Franse overheersing te benutten. Vele negerstammen die het christelijk geloof aanvaardden, kregen van de Franse missionarissen tevens een uitstekende schoolopleiding, met het gevolg dat na de onafhankelijkheid alle hoge posten in handen van Bambara en andere negerstammen kwam. De nomaden waren van heerser tot knecht geworden. De Touareg zijn door de vele schermutselingen vrijwel allemaal over de grens naar o.a. Algerije verdwenen en door de lange droogte hun grote rijkdom - het vee - kwijtgeraakt.

Het Nationale Park Boucle du Baoulé is het meest noordelijk gelegen beschermde gebied van West-Afrika. Het ligt op de grens van savanne naar sahel en is uitgekozen als werkterrein voor een bilateraal research project, waarin Nederland en Mali de mogelijkheden van wildlife utilization gaan onderzoeken. Wildlife utilization of het rationele gebruik van de wilde fauna* kan in het kort omschreven worden als een middel om wild niet te zien als uitsluitend schadelijk voor landbouw en veeteelt maar als een bron waaruit bij zorgvuldig beheer een hoeveelheid voedsel verkregen kan worden.

Speciaal voor de zeer instabiele ecologische zuidelijke rand van de Sahara is het vee funest geweest voor de vegetatie. Door de grote toename van de kudden geiten, schapen en koeien is de tegen erosie beschermende gras- en kruidenlaag door overgrazing ernstig aangetast. Hierdoor werden grote stukken grassteppe en acaciasteppe blijvend gedegradeerd tot woestijngebied.

Door grotere aangepastheid aan de ecologische omstandigheden van de Sahel zouden de daar thuishorende wildsoorten een veel veiliger en duurzamer gebruik maken van de vegetatie en bovendien een effectievere omzetting hebben van plantaardige naar dierlijke eiwitten. Onderzoekingen hiernaar zijn voornamelijk uitgevoerd in oost- en zuidelijk Afrika. De Westafrikaanse omstandigheden, zeer verschillend hiervan, zijn nauwelijks bekeken. Het Nederlands-Malinese project wil in de loop van een aantal jaren onderzoeken wat de mogelijkheden zijn voor gebruik van voornamelijk grazend wild (antilopen en gazellen) als alternatief voor vee. Het idee zo'n project te beginnen is geboren tijdens de hulpacties na en tijdens de droogteperiode van 1970-1973. Men besefte dat er ingegrepen moest worden in het bodemgebruik van de Sahellanden, dat niet alle hulp gericht moest zijn op de verbetering van de weidegronden ende veestapel, maar dat er ook aandacht besteed moest worden aan Africa's natuurlijke hulpbron: het wild. Voor dut onderzoek was echter weinig interesse bij de internationale organisatie aan wie het onderzoek naar verbetering van de secundaire productie was uitbesteed (vleesproductie van grazers) en daarom besloot Nederland zelf het onderzoek naar het rationele gebruik van de wilde fauna in handen te nemen. Mali, waar ook het bilaterale Nederlandse project PPS (Primaire Productie Sahel) van start is gegaan, was tevens geïnteresseerd in dit wildlife utilization projecten daarom is eind 1975 een Nederlandse missie naar Mali vertrokken om een geschikt terrein te vinden en tevens een eerste overeenkomst tussen de beide regeringen te ondertekenen.

Boucle du Baoulé bleek door zijn ligging, de hoeveelheid wild die er voorkomt en door zijn status als nationaal park met aansluitend wilden jachtreservaten het meest in aanmerking te komen voor het uitvoeren van het project. Op het ogenblik is het project nog in een voorbereidingsstadium, in 1977 hoopt men van start te kunnen gaan. De fondsen zullen dan ter beschikking worden gesteld door het ministerie van ontwikkelingssamenwerking en de uitvoering van het project zal bij de vakgroep Natuurbeheer van de Landbouwhogeschool te Wageningen komen.

* Melle, G. van, Wildlife Utilization. Het gebruik van wilde fauna voor melk en vleesprodukten. Intermediair 11 (3) 1975.

 

Ondanks deze interne moeilijkheden steekt Mali beslist niet ongunstig af bij zijn naaste Sahel-buurlanden. De Malinezen zijn trots op hun land en zijn zich er goed van bewust dat ook hun land op weg is naar

economische onafhankelijkheid. Ze begrijpen dat hun natuurlijke hulpbronnen niet onuitputtelijk zijn en daarom weloverwogen moeten worden beheerd, opdat de zo kwetsbare Sahelzone niet ten prooi valt aan de oprukkende woestijn, maar een goed onderhouden name bufferzone blijft. Een van de meest spectaculaire natuurlijke hulpbronnen van Mali is de wilde fauna. Er leven vele soorten zoogdieren en vogels, die het land toeristisch aantrekkelijk zouden kunnen maken. Helaas is echter de jacht op al deze diersoorten de laatste decennia dermate schrikbarend toegenomen en doelmatig geworden door het gebruik van moderne vuurwapens en vervoermiddelen, dat veel soorten zeldzaam zijn geworden. Op vele plaatsen zijn bijna alle grotere zoogdieren verdwenen en sommige soorten worden zelfs met uitroeiing bedreigd. Het Nationale Park 'Boucle du Baoulé' is een van de weinige gebieden in Mali waar het wild een kans wordt gegeven zich te handhaven en zich eventueel te herstellen. Het gehele complex, bestaande uit het eigenlijke Nationale Park en aangrenzende wild- en bosreservaten, beslaat een oppervlak van ongeveer 10 000 vierkante kilometer en is dus bijna even groot als éénderde van Nederland.

 

 

 

 

Ligging en status

Vier uur rijden met een Landrover, ten noordwesten van de hoofdstad Bamako, ligt het Baoulé-Park, tussen de 13° en 14° N.B. Een belangrijk gedeelte bestaat uit zogenaamde 'Forêts Classées', welke zijn opgericht in de tijd dat de trein van Bamako naar Dakar nog met hout werd gestookt. Na de afschaffing van de stoomlocomotief wordt er echter nog nauwelijks hout weggehaald uit deze bosgebieden en tegenwoordig hebben ze de status van wildreservaat gekregen. Dat wil zeggen dat ze dezelfde status hebben als het Nationaal Park, met dien verstande dat alle menselijke invloed in principe verboden is. Een uitzondering is dat voor de wildreservaten de bosdienst toestemming kan geven voor veeweiden, landbouw en houtexploitatie.

Rijdt men van Bamako naar het Baoulé-Park, dat komt men eerst door Négala waar de controlepost van de bosdienst is gezeteld en de bezoekers worden gecontroleerd op illegaal wapenbezit. Na enkele kilometers verlaat men dan de hoofdweg Bamako-Kita en bereikt men via een smalle piste het dertig kilometer naar het noorden gelegen campement Baoulé Dit kamp, gebouwd in 1952, is de belangrijkste nederzetting voor bezoekers aan Baoulé-gebied. Wat ze vroeger de uitvalsbasis voor jachtpartijen, op het ogenblik is ze voor de kijktoerist het aanvangspunt voor vele interessante tochten. Het campement bestaat uit twee grote stenen gebouwen, waarvan één het dagverblijf, de keuken, enkele slaapkamers en sanitair bevat en het andere vier slaapkamers met aangrenzend een wasgelegenheid en toiletten. Rondom deze twee hoofdgebouwen liggen nog enkele kleinere gebouwtjes voor de staf en het personeel van de bosdienst. Dit campement is direct aan de voor het gebied zo belangrijke rivier de Baoulé gelegen. De niet permanent met water gevulde rivier ontspringt in het gebergte ten noordwesten van Bamako, loopt met een grote boog noordwaarts door het savannelandschap en komt na een tocht van zo'n 500 kilometer ongeveer op dezelfde geografische breedte via de rivier de Bakoye uit in de Senegal.

Het door de Baoulé ingesloten landschap vormt nu het grondgebied voor het Baoulé-gebied, met inbegrip van het aan de andere kant van de rivier gelegen wildreservaat Kongossambougou.

 

Topografie

De rivier de Baoulé heeft het karakter van een wadi, dat wil zeggen een rivier die in de natte tijd zeer grote hoeveelheden water bevat en opzwelt tot een woeste De baoulé rivier in de droge tijd - een troep Bavianen op de achtergrond.stroom na een regenbui, maar in de droge tijd slechts bestaat uit een aaneenschakeling van waterpoelen in een overigens droge rivierbedding. De geweldige watermassa's welke in betrekkelijk korte tijd door de rivierbedding razen, nemen ook enorme hoeveelheden zand en stenen mee. Daardoor zijn de oevers van de rivieren erg steil en snijdt de rivier diep in het landschap. Ook de kleinere zijriviertjes welke in de Baoulé uitmonden hebben dit karakter en geven zo een heel speciaal landschap, bestaande uit vlakke stukken, doorsneden door diepe erosiegeulen. Niet alleen tegenwoordig vindt dit proces van insnijding en daardoor afvoer van materiaal plaats, ook in vroegere geologische tijden hebben deze processen plaatsgevonden en zijn verschillende topografische eenheden ontstaan. Geologisch bestaat het grootste gedeelte van het Baoulé-gebied uit zandsteen, geformeerd in het ordovicium in horizontale lagen. Daarnaast komen er hier en daar marine afzettingen van leisteen en schist voor. Ook doleriet vindt men overal. De op luchtfoto's kaarsrechte lijnen in het landschap bestaan vermoedelijk hieruit. Het hoogst gelegen gedeelte van het landschap bestaat uit overblijfselen van een oud en verweerd gebergte met vlakke bovenkanten. Deze 'inselbergen', bestaande uit zandsteen, zijn voor totale erosie bespaard gebleven doordat ze bedekt zijn met een harde laterietkorst. Ze rijzen overal in het landschap op en hebben steile rotswanden van soms 200 meter hoog met aan de voet colluviale puinkegels. Vaak komen in deze wanden grotten voor, welke geliefd zijn bij de apen en roofdieren en wanneer ze hoger in de bergwand voorkomen bij de roofvogels. Deze rotsformaties rijzen op uit het eigenlijke hoofdlandschap, een oud erosieterras met aan de oppervlakte een harde plinthietlaag of doleriet welke tegen verdere erosie beschermend werkt. Door latere veranderingen in het waterniveau - zowel door stijging van het landoppervlak als door daling van de zeespiegel - ontstonden nog twee andere rivierterrassen. Deze terrassen vormen een soort trap met zeer grote treden naar de huidige rivierbedding en zijn in het landschap duidelijk te herkennen, niet alleen door hun hoogteverschil, maar ook dooreen andere begroeiing. Naast geologische processen, gecombineerd met erosieverschijnselen, is er ook een belangrijk bodemkundig proces welke het uiterlijk van dit huidige savannelandschap heeft bepaald. De wordingsgeschiedenis van het oude erosieterras met zijn harde onbegroeide plinthietkorsten, in Mali Bowal's geheten, kan men toeschrijven aan landschapsinversie. Men moet zich hierbij in vroegere tijden een landschap voorstellen dat precies het omgekeerde was van het huidige. De dalen waren vroeger de heuveltoppen en de Bowal's waren vroeger de valleien. Door processen van in- en uitspoeling ontstonden in de oude dalen ondoordringbare laterietbanken, welke in de loop van de geschiedenis de altijd doorgaande erosie hebben doorstaan. De toenmalige heuveltoppen echter, zonder beschermende laag, erodeerden volledig weg en kwamen onder het niveau van de Bowal's te liggen. Nu vormen ze de rivierdalen met hun twee terrassen. De Bowal is een heel typisch verschijnsel in het Baoulé-Park.

Door wind- en watererosie zijn alleen de grovere delen en de harde plinthietlaag aan de oppervlakte overgebleven. Het zijn dan ook uitgestrekte sintelvlaktes met af en toe, waar de grond gescheurd is, een struik of graspol, maar verder volstrekt kaal. Door de grote onvruchtbaarheid en afwezigheid van water komen er nauwelijks dieren voor, met uitzondering van een aantal doortrekkende wrattenzwijnen of een enkele grondeekhoorn. Het zijn echter de koninkrijken van de termieten die overal hun stenen burchten bouwen, vaak in de vorm van paddestoelen met veellagige hoeden of als kleine vulkanen. Termieten, blinde sociaal levende insecten die verwant zijn aan de kakkerlakken, zijn zeer bekwame bouwmeesters. Ze bouwen hun steden van zandkorrels en hun eigen uitwerpselen, welke ze opstapelen tot kathedraalvormige ruimtes, met kamers en gangen gekenmerkt door boogvormige plafonds. De nesten zijn geheel airconditioned en hebben vele miljoenen bewoners, De meeste zijn graszaad verzamelaars of eten dode planten en bomenresten en zijn zo zeer belangrijk voor de omzetting van vegetatief materiaal in humus en tevens voor de verspreiding van zaden. Op de laterietvlaktes, waar geen begroeiing het uitzicht belemmert, kan men honderden van deze termietennesten zien oprijzen. Als men aanneemt dat de dichtheid 100 nesten per hectare is en de nesten gemiddeld 1 miljoen individuen bevat van elk 0,1 gram, dan is de biomassa aan termieten alleen al 10 ton per hectare.

 

Vegetatie

Kaartje Nationale Park Boucle du Baoulé in MaliDe belangrijkste beperkende factor voor de vegetatie van het Sahellandschap is de regenval en het watervasthoudend 'vermogen van de bodem. Daarom kan men een zonale differentiatie in begroeiing onderscheiden, welke zeer regelmatig van zuid naar noord verloopt en daarbinnen een differentiatie naar landschapseenheid. Vanuit de lucht kan men goed zien dat breukvlakken, puinhellingen waar water aan de oppervlakte komt en rivierlopen een weelderiger begroeiing kennen dan de rest van het landschap. De savanne heeft een mozaïekvormig patroon. De aanwezigheid van water, gedurende een groot deel van het' jaar en een vruchtbaarder alluviale bodem is er oorzaak van dat langs de waterlopen gallerijbossen ontstaan van vaak niet meer dans meter breed, de boomkruinen ter hoogte van het terras waar de rivier doorheen kronkelt. In het zuiden van het Baoulé-gebied bestaan deze gallerijbossen uit dichte bamboebegroeiingen met af en toe aaneengesloten opstanden van palmen (Borassus aethiopium), en grote Khaya's (Khaya senegalensis), Terminalia en Ficus soorten. Deze statige bomen geven de gallerijbossen vaak de allure van een tropisch regenwoud en vaak zijn er dan ook lianen en epifyten te vinden. Buiten deze gallerijbossen is de vegetatie veel spaarzamer en droger. De nauwelijks begroeide Bowal's wisselen de boom- en struiksavannes af. Afhankelijk van de doorlaatbaarheid en vruchtbaarheid van de bodem zijn deze savannes begroeid met manshoog meerjarig gras, afgewisseld met opgaand geboomte of met lager éénjarig gras en struiken. Opvallende boomsoorten zijn de kapokbomen (Bombax costatum), welke naar het noorden soms dichte opstanden vormt. In het begin van de droge tijd, decemberjanuari, als de, bomen reeds zonder blad staan, springen de bomen in het oog door hun prachtige rode bloemen. In het zuiden groeit de Kariténotenboom (Vitellaria sp) die door de Malinese boeren altijd wordt gespaard bij het aanleggen van hun akkers. De noten worden in het najaar geoogst en leveren na roosteren de Karitéboter, een product dat daar even belangrijk is als bij ons de margarine of boter. Ook de bekende apebroodboom of Baobab (Adansonia digitata) wordt door de plaatselijke bevolking gespaard en aangeplant. De bast wordt gebruikt voor het maken van een soort touw en de vruchten en bladeren als voedsel. Door het vele plukken van de bladeren krijgen de bomen in de buurt van dorpen vaak een zeer bijzonder uiterlijk: door het ontbreken van twijgen zijn het net geknotte linden. De grote, met fijne stekels bezette hangende vruchten worden niet alleen door de mensen met graagte gegeten, maar ook de olifanten en bavianen zijn er dol op.

De struikvegetatie bestaat hoofdzakelijk uit acacia- en combretumsoorten. Op zandige bodemtypes voornamelijk De Sahel in de droge tijd - Vee van MauresAcacia seyal, op arme lateritietgronden Combretum ghasalense, beide soorten zijn belangrijke voedselgewassen voor de grotere herbivoren. Verder zijn natuurlijk de grassen in grote' soortenaantallen aanwezig. In het zuiden voornamelijk associaties van de meerjarige Andropogon sp en Cymbopogon sp, welke beiden meer dan twee meter hoog kunnen worden. Ook de grassen Hyparrhenia sp en Vetiveria nigritans komen veelvuldig voor.

Meer naar, het noorden verandert de vegetatie. De regen welke in de zomermaanden door de moessonwinden uit het zuidwesten worden aangevoerd, neemt naar het noorden toe sterk af. De isohyeten[2] lopen dan ook dicht naast elkaar, van noordwest naar zuidoost, vrijwel evenwijdig. Het uiterste zuiden van het Baoulégebied ontvangt nog 1100 mm neerslag gemiddeld per jaar, terwijl het uiterste noorden van het park slechts 200 kilometer verder weg, nog maar, 600 mm krijgt. De zonale verandering van de vegetatie is dan ook goed te zien in het park. Heeft ze in het zuiden nog een echt savannekarakter, naar het noorden wordt de boomstand hoe langer hoe ijler en worden de bomen lager. Steeds meer droogteresistente soorten doen hun intrede. Acacia's met dubbelgeveerde bladeren, Euphorbia sp met cactusachtige stengels of de, op een miniatuur Baobab lijkende Adenium honghel, welke in het begin van de droge tijd prachtige roze bloemen draagt, ziet men in noordelijke streken veel meer. Kruiden en grassen met een zeer korte vegetatiecyclus, aangepast aan het korte regenseizoen waarbinnen ze moeten ontkiemen, bloeien en vrucht dragen om daarna weer te verdorren, verdringende overjarige gewassen. Zo kan men er uitgestrekte vlakten zien van verdroogde Borreria bloemen, een rubiacee die wel wat op gedroogde edelweiss lijkt. Een andere opvallende soort welke aan het begin van de droge tijd bloeit is de op een narcis lijkende Cochlospermum tinctorium. De wortels van deze plant worden graag gegeten door wrattenzwijnen en het gele sap schijnt een, goed geneesmiddel te zijn tegen geelzucht.

 

Bodemgebruik

Alhoewel het Baoulé-Park op het moment' nog maar twee dorpjes binnen zijn grenzen telt, getuigen de vele resten van vroegere nederzettingen op een veel intensievere bewoning in vroegere dagen. Niet alleen kan men dit zien aan de vegetatie (aanwezigheid van Baobabs bijvoorbeeld) maar ook door de aanwezigheid van graven, resten van wallen en gebruiksvoorwerpen. Het 17de eeuwse Bambara rijk had zelfs zijn zwaartepunt in dit gebied. Sinds de komst van de Fransen is de bevolkingsdichtheid steeds meer afgenomen. Ten dele is dit gekomen door decimering van de bevolking tijdens de bloedige ge stammenoorlogen tussen Toucouleur en Bambara, waarbij hele dorpen van de kaart werden geveegd.

Het meest waarschijnlijk acht men echter dat 4 aanwezigheid van rivierblindheid en in mindere mate slaapziekte (overgebracht door de tseetseevlieg) de aanleiding tot de ontvolking is geweest. Rivierblindheid of onchocercose wordt; veroorzaakt door een filaria-infectie van de filariasoort Onchocerca vovlulus en overgebracht door de vectors Simulium damnosum en Simulium neavei, twee soorten kriebelmugjes die de klein filaria-wormpjes bij het bloed zuigen overbrengen of opnemen. De wormpjes veroorzaken ondraaglijke jeuk en huidafwijkingen en op den duur blindheid. De larven van de kriebelmug groeien op in snel stromend water en de actieradius van het volwassen mugje is niet bijzonder groot. De boeren zijn daarom langzamerhand weggetrokken van het in de regentijd waterrijke Baoulé-gebied, zodat het een ideale plaats werd om een nationaal park in te richten. Of de rivierblindheid eerder in dit gebied is voorgekomen weet men niet met zekerheid te zeggen. Men denkt dat de ziekte een bepaalde cyclus heeft, die in verbandstaat met het wegtrekken van de bevolking, waardoor de besmettingshaard verdwijnt.

Bijeenkomst van de traditionele jagersDe weinige mensen die nu nog in de dorpen Saraballa en Kartani wonen zijn landbouwers en ze verbouwen gierst, sorghum en allerlei groentes, voor eigen gebruik. Daarnaast houden ze wat geiten, schapen, of kippen voor het vlees. De laatste tijd echter doet de 'Opération arachide' pogingen de dorpsbewoners aardnoten te laten verbouwen, ruil voor geld. De gevolgen hiervan zijn echter vrijwel altijd nadelig voor de dorpsgemeenschap. Voor het' geld kunnen ze moeilijk wat kopen en door de aardnotenverbouw is er vaak geen tijd en ruimte voor de verbouw van de gewassen voor de dagelijkse voeding.

Alhoewel het bodemgebruik gedurende de natte tijd zeer gering is en zich beperkt tot de naaste omgeving van de twee dorpjes, wordt in de droge tijd het Baoulé-gebied intensiever dan ook illegaal. Vanuit  het dichtbevolkte gebied ten oosten en zuiden van het park trekken vóór de feestdagen grote groepen inheemse jagers, of liever gezegd stropers, de rivier over en vestigen zich in tijdelijke dorpen. Er wordt dan honing verzameld en vis gevangen, maar voornamelijk zo veel mogelijk wild geschoten, gestrikt of -gevangen met kooien.

Andere stropers zijn de hogere Malinese ambtenaren en militairen, die vanuit Bamako illegale jachtpartijen organiseren en door hun belangrijke positie vaak niet gegrepen kunnen worden. De Maures en Peulh, nomadische, veehoudende stammen, trekken gedurende de droge tijd naar het - zuiden en vestigen zich in de buurt van de Baoulé - rivier. Ze steken met hun kuddes de rivier over, hakken bomen en struiken om voor hun vee en halen in grote gebieden het gras weg. Hierdoor is de concurrentie voor het wild erg groot. De aanwezigheid van mensen en vee alleen al weerhoudt het wild naar de schaarse drinkplaatsen te komen, die bovendien dan nog vaak leeg zijn gedronken en waarbij de vegetatie tot ver in de omtrek is weggevreten. Grote, groepen Maures komen uit Mauritanië, waar ze in de natte tijd hun vee laten grazen. In dit land is de jacht totaal verboden, evenals het bezit van vuurwapens. De plaatselijke bevolking weet te vertellen dat ze vlak over de grens in Mali hun wapens begraven om in de Baoulé hun jaarlijkse vleesvoorraad aan te vullen. Of dit waar is, is moeilijk te bewijzen: men wijst vaak graag een ongrijpbare zondebok aan voor zijn daden. Al met al zal het duidelijk zijn dat gedurende het moeilijkste seizoen hefwild heel wat te verduren heeft, zowel direct als indirect via het wegnemen van hun voedsel en drinkwater.

Fauna

Ondanks al deze bedreigingen komen in het Baoulé nog vele soorten dieren voor. Naast voor de mens spectaculaire grote zoogdieren en vogels ook veel reptielen en lagere diersoorten. De populaties van de soorten waarop gejaagd wordt, is echter meestal laag en sommige soorten zijn geheel uit het gebied verdwenen. In het noorden van het park wordt soms nog de savanneolifant waargenomen (Loxodonta africana), maar meestal ziet men slechts zijn sporen of uitwerpselen als bewijs van zijn aanwezigheid. Van de 42 andere belangrijke zoogdieren die in het Baoulé-gebied voorkomen, zijn de leeuwen (Panthera leo) de roan's (Hippotragus equinus), de hartebeesten (Alcelaphus buselaphus) en de waterbok (Kobus defassa) de grootste dieren die tevens overal voorkomen en niet zeldzaam zijn. De kleinere antilopen komen meestal in dichtere begroeiingen voor en in de buurt van waterlopen. Panters (Panthera pardus), jachtluipaarden (Acinonyx jubatos), giraffen (Giraffa camelopardalis) en de elandantilope (Taurotragus derbianus) komen voor, maar zijn slechts op enkele plaatsen in het gebied aanwezig of zeer zeldzaam. In de Baoulé komen op sommige plaatsen nijlpaarden voor in aanzienlijke hoeveelheden evenals de nijlkrokodil (Crocodilus niloticus). In het wildreservaat Fina komt een enkele buffel voor (Syncerus caffer)[3].

Een telling, recentelijk (april 1976) uitgevoerd door H. Breman[4] met een aantal ecologiestudenten van de Ecole Normale Supérieur geeft een indruk van de aanwezige aantallen antilopen en enkele veel voorkomende andere dieren. De gegevens zijn vergeleken met tellingen uit 1973, maar te summier om betrouwbare conclusies uit te trekken.

 

Vergelijking van de situatie op het traject 'Kenedo' in 1973 en 1976.

Diersoort 

aantal

1973

aantal/waarnemer

aantal

1976

aantal/waarnemer

Roan

4

1,3

20

4,5

Hartebeest

11

5,5

13

6,0

Waterbok

2

1,0

-

-

Kleinere antilopen

27

1,4

13

1,2

Wrattenzwijnen

20

2,9

15

2,3

Bavianen

557

55,7

200

25,0

Patas

11

2,7

2

1,0

Meerkatten

14

2,3

10

1,7

De aantallen per waarnemer geven een indruk van de grootte van de groep waarin het dier voorkomt. Zoals verder blijkt uit de cijfers, zijn de bavianen veruit in de meerderheid. Als men dan ook op een willekeurige dag met een Landrover door het gebied rijdt, ziet men meestal bavianen, een stuk of wat wrattenzwijnen al of niet met jongen, Patas of zwartneushuzarenapen (Ervthrocebus patas) en groene meerkatten (Cercopithecus aethiops), in het Frans 'singe vert' geheten. Minder vaak komt men een kleine antiloop tegen en men heeft wet veel geluk als men een groep hartebeesten of Roans ziet lopen in de verte. Van de rest van de, diersoorten zal men slechts de voetsporen of uitwerpselen vinden, of 's nachts het gehuil of gebrul horen als teken van hun aanwezigheid.

 

Wat de avifauna betreft is het Baoulé-gebied een waar paradijs voor vogelliefhebbers. Er zijn meer dan 200 soorten waargenomen, waarvan vele palaearctische. Spectaculair zijn de hoornraven (Bucorvus abyssinicus).

Het zijn statige neushoornvogels die meestal in paren door het savannegras schrijden op zoek naar insecten en reptielen. Het zijn dieren ter grootte van een flinke kalkoen, geheel zwart met een rode krop, blauwe oogvlek en een grote kromme gehoornde snavel. De vogels nestelen graag in grote bomen en worden dan ook vaak in de buurt van Baobabs gevonden.

Andere veel -voorkomende vogels zijn de tok's (Tockus nasutus & Tockus erythrorynchus), kleinere familieleden van de hoornraaf, die niet op de grond leven maar zich met een typisch golvende vlucht door de lucht bewegen. Langs de Baoulé zijn de bijeneters en ijsvogels kleurige verschijningen, terwijl van de hoenderachtigen de poelepetaat of helmparelhoen de meest voorkomende verschijning is (Numida meleagris). Deze vogels komen in koppels van neer dan 50 voor en worden overal hoog gewaardeerd voor hun vlees. 's Nachts hoort of ziet men de uilen en nachtzwaluwen het meest wanneer men door het park rijdt.

Beheer

Dorp ten Noorden van het nationale park Boucle du BaouléDoor de noordelijke ligging van het park, binnen de Sahelzone, is het niet verwonderlijk dat de wildstand nooit dat hoge peil bereikt dat men in de wildparken en reservaten van Oost-Afrika ziet. De voedsel- en waterschaarste dwingen het wild een veel groter oppervlak te gebruiken. De inrichting van een wildpark brengt daarom in deze gebieden z'n eigen problemen met zich mee. Door de grootte van het gebied wordt het uitoefenen van controle een zeer kostbare en tijdrovende factor, iets waar de Malinese bosdienst nóch het personeel voor heeft, noch de financiën. Net als de nomaden volgen de wilde herbivoren de regen. Tijdens de natte tijd trekken ze naar de 'noordelijke verse weidegronden en tijdens het droge seizoen gaan ze weer naar het zuiden, op zoek naar water en voedsel. Voor wildparken die niet de beide habitats kunnen bevatten is het absoluut noodzakelijk dat de dieren op geen enkele wijze op hun weg van het zomer- naar het winterverblijf worden gehinderd door bijvoorbeeld afrasteringen of dichtbevolkte nederzettingen. Het Baoulé-gebied is waarschijnlijk echter groot genoeg om voor de meeste dieren zowel de winter- als de zomerhabitat te bevatten.

Eén van de belangrijkste vragen die een wildbeheerder zich moet stellen is hoe hij zijn wildpark of reservaat als geheel in optimale conditie houdt. Dit betekent dat hij dus niet alleen een hoge wildstand van toeristisch aantrekkelijke dieren in de handmoet werken, maar dat hij een uitgebalanceerde faunasamenstelling, een optimale vegetatie- en bodemtoestand moet bewerkstelligen. In dit Sahelgebied zijn factoren als regenval, branden en veeweiden essentieel voor de toestand van vegetatie en bodem. Versnelde erosie door het blootleggen van de bovengrond is een veel voorkomend verschijnsel. In gebieden waar te veel vee voorkomt of te veel wordt gebrand krijgt de regen, die in korte maar zeer hevige buien valt, de kans alles wat los en vast zit met zich mee te sleuren. Spoedig gaat zo'n gebied dan op een maanlandschap lijken en is vrijwel verloren voor enig bodemgebruik. De beschermende vegetatie werkt als een buffer tegen extreme weersinvloeden en voorziet de wilde fauna bovendien van voedsel. Men kan daarom niet ongestraft de uitgebalanceerde relatie tussen flora en fauna verstoren.

De Baoulé in de regentijdBranden is altijd een controversieel onderwerp geweest. Als beheersmaatregel kan branden van groot nut zijn, mits men maar in de juiste tijd en met de juiste regelmaat brandt. De Afrikaanse savanne is geen climaxvegetatie, maar wordt door het vuur en de herbivoren in zijn huidige vorm gehouden. Beschermt men een areaal tegen zowel branden als veeweiden, dan zal het spoedig dichtgroeien. Of na lange tijd een opgaand bos zal ontstaan is nog niet aangetoond, maar vermoedelijk zal dit wel het geval zijn.

De Malinese bosdienst die het beheer voert over het Baoulé-Park, heeft te maken met verschillende beheersproblemen, waarvan de controle op illegale jacht en veeweiden wel het belangrijkste is. Het grootste gedeelte van het personeel is daarom geconcentreerd in het Baoulé-gebied, omdat men in Mali beseft dat met spreiding van krachten alles verloren zal gaan en dat nu in elk geval nog dit gebied behouden kan blijven. Bij gebrek aan geschoold personeel, vervoer, communicatiemiddelen en geld blijft het echter een bijna ondoenlijke taak. Andere onderhoudsmaatregelen als wegen schoonmaken en branden, worden met behulp van de plaatselijke bevolking uitgevoerd ten behoeve van het toerisme. Dit toerisme is echter nog zeer gering en beperkt zich tot in Mali werkende Europeanen en een enkele Malinese familie.

Nederland hoopt in het kader van de ontwikkelingshulp een onderzoeksproject te starten, waar de mogelijkheden van vervanging van vee door wild in sommige geschikte delen van de Sahel zal worden bestudeerd.

In het kader van dit project zal in het BaouléPark onderzoek worden gedaan en zal zo worden bijgedragen aan de verbetering van het beheer van het park. Naast het onderzoek zal namelijk een groot deel van de tijd besteed worden aan opleiding en voorlichting van Malinezen. Zo veel mogelijk zullen er Malinese studenten worden ingeschakeld bij het project en zal door voorlichting getracht worden de stedelijke en plattelandsbevolking duidelijk te maken dat het wild geen onuitputtelijke vleesbron is en op een juiste wijze beheerd moet worden. Hiermee zal men dan trachten het stropen en de illegale jacht terug te dringen en tevens meer belangstelling te wekken voor kijktoerisme:

 

Slot

Het Baoulé-gebied kan door zijn ligging in de Sabel een voorbeeld worden van een juist gebruik van vegetatie, fauna en bodem in dit zo kwetsbare gebied. Door een goed beheer blijven de West-Afrikaanse zeldzame diersoorten behouden en te bezichtigen in hun eigen omgeving: een unieke maar zeer kwetsbare levensgemeenschap die echter zeer belangrijk is als ecologische bufferzone tussen de oprukkende Sahara en de Afrikaanse savannes.

Wageningen, 1976

Gideon van Melle



[1] Brasseur, G. Le Mali. Notes et Etudes Documentaires, 1974

[2] Lijnen van gelijke neerslag

[3] Sayer, J.A. Aménagement de la Faune. Rapport au gouvernement du Mali. FAO, 1975

[4] Breman, dr. H. Compté-rendu de l'excursion au Baoulé de l'Option Ecologie du CPS, 1976

 

Valid HTML 4.01!